Voorlichting

Getijden (eb en vloed)

Iedereen die wel eens voor langere verblijfsduur op het strand komt, heeft het verschijnsel bemerkt dat gedurende de dag het strand groter of kleiner wordt. Die verandering wordt veroorzaakt door het getij. Getijden (eb en vloed) zijn te omschrijven als beweging van het water; de zee stijgt en daalt continu.

Getijden (eb en vloed)
Hoogwaterlijn. (Foto: RN)

Het getij ontstaat door de aantrekkingskracht die de maan, de zon en de aarde op elkaar uitoefenen; doordat de maan om de aarde draait, en de aarde en de maan om de zon. Getij bepaalt niet alleen mede de stroming van het water, maar ook de richting en de sterkte van de stroming. In combinatie met de bodemgesteldheid, en in het bijzonder de zandbanken, bepaalt het getij de branding en de golfslag, maar tevens of er kans op muiwerking bestaat. Informatie over getijstromen is ook voor lifeguards belangrijk, bijvoorbeeld bij locatiebepaling van (mogelijke) slachtoffers, zoals vermiste zwemmers.

• Het stijgen van de zeespiegel wordt vloed genoemd. Wanneer het water op zijn hoogst is, noemen we dit hoogwater.
• Het dalen van de zeespiegel wordt eb genoemd. Wanneer het water op zijn laagst is, noemen we dit laagwater.

Ontstaan van het getij
Het getij ontstaat door het zwaartekrachteffect van de zon en de maan op de aarde. De relatieve positie van de zon, de maan en de aarde tegenover elkaar bepaalt mede hoe sterk het zwaartekrachteffect is en hoe hoog en laag het tij zal zijn. Omdat het water 'in evenwicht' op de aarde moet blijven (centrifugale krachten), neemt het water op de aarde de vorm van een rugbybal aan, met aan weerszijden het hoogwater en bovenop en onderop het laagwater. Per dag is het dus twee keer hoogwater en twee keer laagwater.

hoog- en laagwater 1

Op locaties die dicht bij de Noordpool of Zuidpool liggen, komt overigens niet elke dag tweemaal hoogwater en tweemaal laagwater voor: deze plaatsen hebben geen dubbeldaags maar enkeldaags tij of gemengd tij. Doordat de aarde niet een grote bal met water is, maar er ook nog landmassa's aanwezig zijn, en doordat de zeeën en oceanen niet overal even diep zijn, wordt het water niet gelijkmatig verdeeld.

getijstroom

De getijgolf die aan de Nederlandse kust eb en vloed veroorzaakt, ontstaat in eerste instantie in de Zuidelijke IJszee bij Antarctica en doet er ongeveer twee dagen over om Nederland te bereiken. Wanneer de getijgolf zich bij Groot-Brittannië bevindt, splitst deze zich in tweeën. Een deel komt door het kanaal en via de Britse kust de Noordzee in, het andere deel gaat via de zuidkust van Groot-Brittannië en Ierland omhoog. Doordat het Kanaal smal is, heeft vooral de stroming die 'bovenlangs' Groot-Brittannië komt een grotere invloed op ons getij dan de stroom die via de zuidkust van Groot-Brittannië, door het Kanaal, Nederland bereikt. Dit is ook de reden dat de hoogteverschillen van het getij in Normandië en aan de zuid-Engelse kust relatief groot zijn en aan de Belgische en Nederlandse kust relatief minder. Het water 'hoopt' zich als het ware op bij het Kanaal bij eb.

Getijdencyclus
Het water op de aarde volgt precies de beweging van de maan. Door de draaiing van de aarde om zijn eigen as worden de vloedbergen over de aarde heen gesleept. Aangezien de aardbol in 24 uur om zijn as wentelt, hebben we twee keer hoogwater en twee keer laagwater op een dag. In werkelijkheid vinden deze getijdenbewegingen in circa 24 uur en 50 minuten plaats. Hierdoor verschilt de tijd van het hoog- en laagwater elke dag. Door plaatselijke omstandigheden zal de precieze tijd van plek tot plek verschillen, bijvoorbeeld door de ligging van het strand of (natuurlijke) obstakels. Ook continenten en landmassa's hebben invloed op de stroming van het getij. Bovendien is de zee niet overal even diep; vooral de Noordzee is een relatief ondiepe zee. Door de ligging van de Nederlandse kust is de tijdsduur van hoog- naar laagwater (en andersom) verschillend per locatie. Een cyclus van hoog- naar laagwater duurt over de gehele Nederlandse kust ongeveer 12 uur en 25 minuten, wat inhoudt dat het ongeveer twee keer per dag hoog- en
laagwater is.

De kracht van de getijstromingen (vloed- en ebstroom) zorgt ervoor dat de stroom nog langere of kortere tijd doorloopt nadat het hoogste of laagste punt van het getij is geweest. Dit wordt de navloed of na-eb genoemd. De periode die ontstaat tussen het wisselen van de stromingen noemen we de kentering. In de
kentering verandert de stroomrichting Z-N of N-Z. Het moment van de kentering zal zich niet precies op het moment van hoog- of laagwater voordoen, maar altijd iets ervoor of erna. Tijdens de kentering is de stroomsterkte gering.

Per locatie bestaan er (grote) verschillen in de getijdencyclus. In Den Helder stroomt de ebstroom sneller dan de vloedstroom, wat inhoudt dat de stroming tijdens de ebstroom sterker is. In Noordwijk is dit omgekeerd; hier stroomt de vloedstroom sneller dan de ebstroom. In Ouddorp is de tijdsduur van de vloedstroom nagenoeg gelijk aan de ebstroom. Lifeguards moeten hierop anticiperen door extra waakzaam te zijn op wanneer het water het snelst stroomt en dus de stroming het sterkst is. Vandaar dat het van groot belang is om te weten wanneer het eb en vloed is, maar ook hoe snel de stroom zich voortbeweegt. Door bodemverschillen, vormen van de kust en neveneffecten kent de Noordzee een ingewikkeld getijsysteem.

Vloedlijn
Op het strand is de zogeheten vloedlijn te zien. Dit is de plek tot waar het water komt met vloed. Vooral bij laagwater is dit onderscheid goed te zien door het 'droge' en het 'natte  zand. In Zeeland is dit verschil tussen hoog- en laagwater het grootst. Hoe hoog en laag het water precies komt, hangt naast de getijdenstroom af van hoe steil het strand is. Wanneer een strand relatief vlak is, komt het water sneller op dan wanneer het steiler is. De strook op het strand tot waar het water komt met hoogwater noemen we de vloedlijn.

getijverval

Springtij en doodtij
Elke maand (de tijd tussen een opvolgende nieuwe maan, ongeveer 29,25 dagen) is er twee keer springtij en twee keer doodtij. Tussen elk van deze getijden zit ongeveer zeven dagen. Tussen doodtij en springtij wordt het getij dagelijks 'sterker' tot aan het springtij. Andersom geldt dat na het springtij het getij in kracht afneemt, tot aan het moment van het doodtij.

springtij en doodtij

Springtij (volle en nieuwe maan)
Wanneer de zon, de maan en de aarde op één lijn staan, ontstaat er springtij. Dit betekent dat de zon en de maan in dezelfde richting aan het water op aarde 'trekken'. Dit zorgt ervoor dat de vloed hoger wordt en eb lager wordt. Kortom: er is meer verschil in hoog- en laagwater. Het verschil is direct zichtbaar nabij de evenaar, maar het duurt circa twee dagen alvorens de vloedberg de Nederlandse Noordzee heeft bereikt. In Nederland is het dus pas twee dagen na volle en nieuwe
maan springtij.

Doodtij (eerste en laatste kwartier)
Wanneer de zon en de maan haaks op elkaar staan, ontstaat er doodtij. Dit betekent dat de zon en de maan het water twee kanten op trekt. Dit verdeelt het water gelijkmatiger over de aarde, waardoor de vloed minder hoog en eb minder laag wordt. Kortom: er is minder verschil in hoogen laagwater. Circa twee dagen na het eerste of het laatste kwartier is het doodtij waarneembaar in de Nederlandse Noordzee.

Invloed wind op de getijstroom
De getijstroom kan versterkt worden wanneer het getij en de wind dezelfde kant opgaan. Hoe harder de wind waait, hoe sterker dit effect, dat wel een 'zoper' wordt genoemd. Het kan verraderlijk zijn als de wind en de stroom dezelfde richting opgaan. Het wateroppervlak wordt dan gladder, waardoor de zee er juist veiliger uitziet. Een 'zoper' zal hoofdzakelijk worden veroorzaakt wanneer stroming en wind evenwijdig aan de kust lopen. Een 'zoper' langs de Noord- en ZuidHollandse kust zal anders zijn van richting ten opzichte van bijvoorbeeld de Westerschelde, het
Eemsgebied of de Friese Waddeneilanden. Wanneer wind en stroming tegengesteld zijn, is het risico minder maar nog wel aanwezig. Bij tegengestelde stroming en wind lijkt het water de ene kant op te bewegen, maar stroomt het onder het oppervlak juist de andere kant op. Dit kan gevolgen hebben voor het gebied waar naar bijvoorbeeld een slachtoffer wordt gezocht.